Als ik fiets, hoor ik met enige regelmaat achter mijn rug ouders tegen hun kind zeggen dat mijn fiets bijzonder is. Begrijpelijk, maar zo komen we nooit tot de inclusieve generatie die we als samenleving willen. Een oproep aan alle opvoeders.
Vol optimisme was ik begonnen aan de dag. Goed geslapen, mooi weer, kom, we gaan lekker fietsen! Ik reed op mijn driewielligfiets de poort door en terwijl ik de weg oversteek, hoor ik een man tegen zijn kleuterzoon zeggen: “Ja, dat is een bijzondere fiets.” Ik voelde direct alle positiviteit uit me trekken. Daarvoor in de plaats kwam een mistroostigheid die ik associeer met een periode uit mijn leven die ik liever niet heb. Een periode waarin ik me alleen voelde, waarin ik me anders voelde dan anderen, terwijl ik er zo graag bij wilde horen. Een kleine, vast goedbedoelde opmerking kantelde mijn ochtend. En het is geen unicum, met enige regelmaat hoor ik ouders tegen hun kind exact dezelfde opmerking maken. Meestal laat ik het gaan, maar deze keer keerde ik om om er wat van te zeggen.
Waarde-oordeel
Natuurlijk moet ik er zelf ook iets mee. Het feit dat zo’n opmerking me raakt, geeft aan dat daar nog steeds een gevoeligheid ligt. En toch heeft de opmerking ook een waarde-oordeel in zich. Wanneer iets ‘bijzonder’ is, wil het zeggen dat datgene buiten de norm valt. Je zou dat positief kunnen interpreteren: hee, wat bijzonder! Maar in dit geval heeft het de connotatie van iets geks, iets wat we op moeten merken omdat het niet vaak voorkomt. En natuurlijk: de kleuter vindt het ook gek als ‘ie een driewielligfiets ziet, waarschijnlijk voor het eerst in zijn leven. Want inderdaad: zo vaak zie je zo’n fiets niet. Maar de vraag is: moet je daar als volwassene in meegaan? Zijn we er niet om het kind uit te leggen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit?
Vanzelfsprekend
Steeds meer komt het besef dat als je een inclusieve samenleving wil creëren, je moet beginnen bij inclusief onderwijs. Je gaat namelijk pas inclusief handelen als je inclusief denkt, want alleen dan kun je werkelijk begrijpen waar de ander behoefte aan heeft. Nou kun je dat op latere leeftijd best een eindje leren, maar écht inclusief denken ontstaat pas als dat voor jou een vanzelfsprekendheid is. En ga eens na: veel van je waarden en normen heb je meegekregen vanuit je opvoeding, thuis en op school. Wanneer je op school al klasgenoten met een handicap hebt gehad, heb je geleerd dat zij misschien af en toe meer hulp nodig hebben, maar verder mens zijn als ieder ander. Zeker wanneer het aantal kinderen met en zonder handicap ongeveer gelijk is, wordt het hebben van een handicap minder bijzonder.
Het hoort er gewoon bij
Maar dan zijn we er nog niet. Want mensen met verschillende achtergronden bij elkaar zetten, wil nog niet zeggen dat ze elkaar gaan begrijpen – dat geldt voor kinderen net zozeer. Het is de taak van de opvoeder om, als het kind iets bijzonder vindt wat er gewoon bij moet kunnen horen, we het kind uitleggen dat het er gewoon bij hoort. Niet door te zeggen dat datgene niet bijzonder mag zijn, maar door te zeggen dat datgene er gewoon is. In plaats van dat de vader had gezegd “Ja, dat is een bijzondere fiets,” had ik liever gehad dat hij het feitelijk houdt: “Ja, dat is een driewielligfiets.” Of nog beter: “Die is lekker aan het fietsen.” Zodat als het kind een volgende driewielligfiets ziet, niet denkt: kijk, daar heb je weer zo’n bijzondere fiets, maar: ah, die fietst net als ik.